Over de verwondering (expo Linda Lacombe 2017)

‘The promise of complete happiness is felt in the act of creation but disappears towards the completion of the work. For it is then that the painter realises that it is only a picture he is painting’.
Lucian Freud ‘Some Thoughts on Painting’,1954

Het is een voorrecht om iemands atelier of werkruimte te bezoeken en binnen te treden in de persoonlijke omgeving van een kunstenaar en even de sfeer van het creatie proces te proeven. Zo kreeg ik die kans bij Linda Lacombe, beeldend kunstenaar, wiens werken mij persoonlijk reeds lang bekoren.
Het is dan ook een voorrecht om een inleiding te geven tijdens de vernissage in het Geuzenhuis te Gent op 21 april 2017.
Wat is de zin van een inleiding? Een kader scheppen waarbinnen we duiding geven aan de kunstwerken? Een laudatio over het leven en werk van de kunstenaar? Of, god behoedde ons, een exegese geven van de werken?

Of een decodering, dat las ik ook al ergens, alsof er een code in verborgen zit die in kleine kringen als deze bekend gemaakt wordt.
Nee, ik beschouw (hedendaagse) kunst, zoals Emmanuel Levinas het zegt, als een ervaring van het absurde. Niet in de ‘gentse’ zin van het woord, waarmee de gentenaars vaak iets onnozels, iets belachelijks bedoelen.
Met het absurde bedoelt Levinas hetgene wat we niet begrijpen, iets wat we niet kunnen vatten binnen onze dagdagelijkse ratio, de zinloosheid van het bestaan.
In het dagelijks leven proberen we de werkelijkheid te begrijpen, een naam te geven, te objectiveren. Dat geeft ons het gevoel van zekerheid, maakbaarheid, van controle.

Zelfs onze emoties worden ‘gepsychologiseerd’, de melancholie heeft plaatsgemaakt voor een depressieve stoornis die we kunnen behandelen. Elke behoefte ervaren we als een tekort aan iets, als een gebrek. We proberen dan ook dit tekort te voldoen en dit verschaft ons een gevoel van voldaanheid en controle.
Toch overkomt ons soms het gevoel dat we niet iets tekort hebben maar het tegendeel, waarbij alles ons teveel is. We hebben geen nood aan iets dat afwezig is maar we ervaren de verstikkende aanwezigheid van een teveel dat we geen naam kunnen geven. Levinas noemt dit ‘le malaise du besoin’. We hebben alles, we begrijpen alles maar toch hebben we soms de behoefte aan iets onbegrijpelijks.
Om dit gevoel tegen te gaan zoeken we vaak nog meer objectivering, pseudo zekerheden en controle. Het blijkt vaak een mislukte poging tot vlucht te zijn. In de kunst, zegt Levinas, verschijnt de werkelijkheid opnieuw als iets waaraan we niet onmiddellijk betekenis kunnen geven, als een vreemde aanwezigheid, een wijze van niet-begrijpen.

In deze tijden van vermarketing en vermediatisering van de kunsten is er terug nood aan relativisme.
Nood aan omgeving waar de esthetische ervaring niet gegijzeld wordt door randfenomenen zoals grote, gemediatiseerde tentoonstellingen wat zeg ik ‘evenementen’ waar de beleving centraal staat en de ervaring van schoonheid een bijproduct wordt, waar verkoopsucces, publieksbereik en media aandacht mee de kwaliteit uitmaken.
Deze kwaliteit is volgens Rik Pinxten een groot mysterie in onze cultuur. ‘We hebben dat ingevuld met formele kenmerken, maar dat heeft de vraag naar wat echt kwaliteit is (inhoudelijk, zinvol, levensverrijkend, enz.) gesmoord. Basislijn is dat het managementdenken nu te zwaar weegt en dat gaat ten koste van inhoud en creativiteit.’

Gisteren hoorde ik op de radio een bespreking over Art Brussels dit weekend. De journalist legde uit wat voor extra’s er allemaal gedaan worden om meer volk te lokken, dat Luc Tuymans‘ gespot’ was op een terrasje, misschien zat er wel een selfie in? En dat het normaal is dat je dingen niet mooi vind omdat geuren en smaken verschillen.
Het gebeurt dat mensen naar een muziekfestival gaan en daar naar geen enkele groep luisteren of naar een tentoonstelling en vooral naar de anderen kijken. Ze zijn er wel bij geweest, bij het evenement. En er wordt op Facebook, in de media gezegd dat kwaliteit top was, er was veel volk, een paar Bv’s en biologische wijn.
Pas op, u hoort helemaal geen bevoogdende toon of een wijzend vingertje! Hoe meer volk naar kunst komt kijken hoe beter ik dat vind, om wat voor reden dan ook.
Hoe kunnen we dit tegengaan? Hoe verzetten we ons tegen deze neoliberale captatie van de kunsten? Het volstaat, dixit Rik Pinxten, om ‘de cultivering van smaak-en waarde processen terug centraal te stellen en de reductie van wat goed en mooi is door de markt te verwerpen’.
Kunst als oplossing voor wie niet elk kwartier evenveel talent heeft voor geluk. Art for Art’s sake!

Persoonlijk geloof ik sterk in de ‘warmte van de kleinschaligheid’. Plaatsen, zoals dit huis, die individuele kunstenaars steunen door tentoonstellingen en ontmoetingen te organiseren, waar de nadruk op de werken zelf ligt, waar de kunstenaar een direct contact heeft met het publiek. Dus, tijd genoeg voor een ‘selfie’ straks!

In de werken van Linda Lacombe wordt deze sfeer van objectiviteit die ons macht geeft over de werkelijkheid, verbroken. Wat in het kunstwerk getoond wordt ontsnapt aan onze rationeel begrip. de werkelijkheid verschijnt hier als iets waaraan we niet onmiddellijk betekenis kunnen geven, als een vreemde aanwezigheid. De werken van Linda zijn geen ‘begrijpen en onthullen’ van de innerlijke wereld van de mens, het is een vorm van niet- begrijpen. Het keert zich weg van de objectivering.

Linda schrijft nochtans zelf op haar website dat ‘ Haar thematische insteek zijn menselijke relaties en evolutie. Het zijn niet de uiterlijke verschijningsvormen die tot thema worden in het werk, wel de innerlijke werelden van mensen.’
‘Circle of life’ weerspiegelt een kijk op de kringloop van het leven. De rode draad in de tentoonstelling zijn de kenmerkende fases, opeenvolgende gebeurtenissen en bijhorende emoties in een mensenleven. Diverse groeifasen met eigen accenten krijgen een plaats: de oorsprong, menselijke relaties, de levensweg, mijlpalen, de pijn van het zijn, de complexe wereld waarin we leven, het loslaten en opnieuw beginnen …
Zonder te twijfelen aan haar uiteraard goeie bedoelingen en de authenticiteit waarmee de kunstenaar wil zeggen wat ze doet en bedoelt, is deze uitleg over haar eigen werk niets anders dan een poging om het werk terug te brengen naar de objectiviteit, een rationeel kader te scheppen en ze een plaats te geven in een sociale en maatschappelijke context. Zoals in de conceptuele kunst het esthetische object getransformeerd werd tot een taalkundige structuur waardoor de esthetische ervaring wegvalt of op zijn minst wordt belemmerd. Het kunstwerk wordt zo gereduceerd tot pure symboliek.

Deze werken en bij uitbreiding vele anderen hebben deze objectivering niet nodig! Ze staan op zich, en laten toe dat de kijker zijn eigen verhaal creëert.
Zoals Kahlil Gibran zei ‘uw kinderen zijn uw kinderen niet’ kunnen we, met enige zin voor overdrijving, zeggen een kunstwerk niet van de kunstenaar is.
‘The promise of complete happiness is felt in the act of creation but disappears towards the completion of the work. For it is then that the painter realises that it is only a picture he is painting’. Dat zei Lucian Freud in een zeldzaam interview. De kunstenaar moet een bepaalde emotionele afstand hebben t.a.v. zijn werk zodat het werk voor zich kan spreken.
Zo krijgt een werk pas betekenis als het bekeken wordt door anderen. De betekenis wordt gecreëerd door de anderen. Al deze gedeelde individuele meningen, ervaringen, emoties leiden tot een gedeelde betekenisgeving, een construct dat steeds onderhevig is aan veranderingen.
Wat ook de initiële bedoeling of emotie was die de kunstenaar er wou inleggen. Dat doet er weinig of niet toe. Alle kunst moet spreken voor zich, geëngageerd zijn en op zijn minst aanleiding geven tot verwondering, catharsis of een sterke emotie oproepen.
Deze werken kunnen een bron van relativering en loutering bieden als al het andere het laat afweten.
De term catharsis of loutering komt van Aristoteles, aanvankelijk voor het zuiverend effect van de klassieke tragedie op de toeschouwer die meeleeft met de tragische held. Sigmund Freud (de grootvader van Lucian Freud!) toonde uitvoerig aan dat loutering een positieve invloed heeft op de psychische gemoedsgesteldheid van de mens.
Het kijken naar deze werken kan een sterk louterend effect hebben. Het gevoel, zoals Stefan Hertmans het zegt, dat we na het lezen van een boek, het beluisteren van een concert, of het bekijken van een kunstwerk iets meer begrepen hebben van de aard van de mens, de werking van het lot, de motieven die het handelen van mensen inspireren.

‘Kijken naar een kunstwerk impliceert ontvankelijkheid en bereidheid tot overgave om, met behoud van zijn kritische vermogens, tot medeschepping over te gaan’. Dit schreef Frans Boenders 25 jaar geleden. Ik lees daarin een pleidooi voor de verwondering.
De effecten van verwondering zijn groot! Verwondering ontroert, het is het begin van de wijsheid, stemt tot mildheid. Verwondering is vaak een grote motivator om meer kunst te consumeren, om jezelf artistiek te ontplooien. Veel kunstenaars blijven verwonderd omwille van de pracht van de kunsten. Als de verwondering stopt, begint het entertainment.
Het volstaat daarbij niet om je enkel open te stellen en het werk op zich te laten inwerken. Wie verwonderd kijkt verandert het werk tot het van hem is geworden. De objectivering waar ik het eerder over had is vaak een rem voor verwondering. We zijn het afgeleerd om verwonderd te zijn, het is iets voor kinderen.
Moet men dan elk toneelstuk, elke schilderij, elke soort muziek mooi vinden? Neen! Stefan Hertmans zegt het zo: ‘Als er één spreekwoord is die de vijand moet zijn van een discussie over kunst en cultuur dan is het wel het beruchte : ‘geuren en smaken verschillen’ (de gustibus et coloribus non est disputandum). Want over geuren en smaken blijven twisten vormt de dynamiek van elk kritisch denken over kunst’.

Het is zoals met wijn.
Een aantal onder jullie weten dat ik bedreven probeer te zijn in mijn wijnkennis. Samen met vrienden volgden we cursussen, legden zelf examen af. We gingen op wijnreis, organiseerden een proeverij, kwamen gelijkgestemden tegen. Onze kennis werd groter. Weten we nu beter wat goede wijn is? Nee, integendeel, we weten het minder goed dan voorheen. Maar we kunnen beter dan voorheen een persoonlijke keuze maken, er beter over discussiëren en bewuster ervan genieten.
En het is het perfecte excuus om veel en goede wijn te drinken! Vervang ‘wijn’ door beeldende kunst,… en u weet wat mijn pointe is.

Bekijk deze werken, maak uw eigen verhalen, discussieer erover met anderen, geef u over aan het niet-begrijpen, wees verwonderd.
En laat u ten volle gaan in deze absurde maar o zo fascinerende wereld!

Filip Verneert

Column Gent Jazz Festivalkrant 2013 Jazz is voor iedereen

Wat fijn om je gedachten ongeremd te kunnen laten gaan in een totaal persoonlijke invulling van de titel. Dat was de vraag die mij gesteld werd.
Bij deze maak ik graag het onderscheid tussen muzikanten en publiek. Is jazz voor alle muzikanten of enkel voor een zeer professionele elite (‘diegenen die het kunnen’)? Is jazz enkel voor een kunstminnend publiek, voor de melomaan? (zoals in sommige media op zijn minst toch wel gesuggereerd wordt).

Jazzmuzikanten
In de actieve beoefening van jazz is hier een grote evolutie gebeurd. Als men in de vorige generatie al de grens kon trekken tussen jazzmuziek spelen als hobby en al als beroep (het onderscheid tussen amateurmuzikant en professionele muzikant) dan is het momenteel een queeste om een sluitende definitie te vinden die het onderscheid tussen amateur en professioneel bepaalt. Kwaliteit, diploma, besteedde tijd, inkomsten uit muziek…, hoeven lang niet enkel door de professionele muzikanten geclaimd te worden. Hoe professioneel iemand met kunst bezig is, blijft een subjectieve inschatting.
Professionaliteit in kunst wordt tegenwoordig in onderzoek gezien als een toegeschreven kenmerk, door anderen maar ook en vooral door subjectieve zelfevaluatie.
Slechts een minderheid plaatst zichzelf rechts of uiterst rechts op het continuüm als professioneel kunstenaar .

Jazzpubliek
We geloven sterk in ‘ontdekking’. Niet alleen de ontdekking van de veelheid aan muziek die onze cultuur en andere culturen bieden maar ook in de ontdekking en ontwikkeling van de eigen talenten.
Ontdekking is niet het prerogatief van ‘kenners’ of ‘ervaren cultuurparticipanten’, het is het recht van iedereen.
Daarom pleiten we voor het stimuleren van ‘verwondering’. De effecten daarvan zijn groot! Verwondering ontroert, het is het begin van de wijsheid, stemt tot mildheid. Verwondering is vaak een grote motivator om meer te luisteren naar jazzmuziek, om jezelf artistiek te ontplooien.
Als de verwondering stopt, begint het entertainment.
Jazzfestivals, (jazz)organisaties, jazzbeleid moeten er ook zijn voor mensen die nog niet de stap naar het luisteren naar Miles Davis of John Zorn gezet hebben. We willen dat ze de keuze hebben, de mogelijkheid om toegang tot jazz in brede zin te hebben. En als ze meer willen weten, spelen en leren moeten we ze omarmen vanuit de overtuiging dat de kracht van kunst een sterk tegengif is tegen alle kwalen van de hedendaagse en toekomstige maatschappij. Vanuit de overtuiging hoe meer je weet over de taal die kunst spreekt, hoe meer toegang je krijgt. Ook tot ‘moeilijke’ jazz of hedendaagse beeldende kunst.
Moet men dan elke soort jazz mooi vinden (als men al van ‘soort’ mag spreken)?
Neen!
Stefan Hertmans zegt het zo: Als er één spreekwoord is die de vijand moet zijn van een discussie over kunst en cultuur dan is het wel het beruchte : ‘geuren en smaken verschillen’ (de gustibus et coloribus non est disputandum).
Want over geuren en smaken blijven twisten vormt de dynamiek van elk kritisch denken over jazz..
Dus, ja, Jazz is voor iedereen. Niet alleen, maar samen zijn we katalysatoren van jazz. Kunst en cultuur en dus ook jazz zijn veel te belangrijk om enkel over te laten aan professionals!

Filip Verneert is directeur van vzw Muziekmozaïek Folk & Jazz (uitgever van o.a. Jazzmozaïek) en jazzgitarist.

‘Een epifanie van de mens’
Enkele persoonlijke gedachten na een bezoek aan het atelier van Hervé Martijn.

De vele werken met telkens het beeld van de mens binnen een contextuele vaagheid, tijdloos gepresenteerd. Direct valt de fragiliteit op, de naaktheid is hier van ondergeschikt belang, nog meer dan het archetypische beeld van de mens doet het werk denken aan gedachten, mijmeringen, gevoelens.
Te midden van de veelheid van werken die allemaal de ‘mens’ verhalen, moest ik ‘ongewild’ (net terug van de tentoonstelling in Parijs) denken aan wat Lucian Freud schreef in één van de weinige geschriften van zijn hand: (vrij vertaald) ‘het object en de smaak van een schilder moet voortkomen uit hetgene wat hem obsessief bezighoudt in zijn leven zodoende dat hij zichzelf nooit de vraag moet stellen wat hij moet doen in de uitoefening van zijn kunst (L. Freud: Some thoughts about painting).
Hervé Martijn houdt zich obsessief bezig met het schilderen van de mens. Het vaak voorkomen van 2 figuren leidt ons bijna onvermijdelijk naar het idee van ontmoeting en dialoog. Emmanuel Levinas leerde ons het idee dat ‘mens zijn’ gaat over de ontmoeting met de Andere. De verschijning van de Andere opent een nieuwe dimensie in de werkelijkheid. (E.Levinas: Totalité et Infini).
Het is ten zeerste verleidelijk om de werken van Hervé Martijn in dit licht te interpreteren. De menselijke figuren, vaaak tegenover mekaar, onbestemd als openstaand voor de ontmoeting met de ‘Ander’. Hieruit spreekt de hoop dat we het anomieme zijn kunnen overstijgen (het ‘au delà de l’être’).
Toch kunnen we opmerken dat in de werken van Hervé Martijn, de figuren zelden of nooit mekaar ‘ontmoeten’. Veleer vinden we hier een individuele, naakte existentie terug. De mens die op zichzelf geworpen is. Er is niet het gevoel van communicatie tussen de figuren, er is geen oogcontact, geen fysiek contact.
Meer dan het gevoel van dualiteit (man-vrouw, ouder-kind,…) is er sprake van een individualiteit, een louter op zichzelf zijn van de mens, zelfs al wordt die dan weergegeven door 2 (of meerdere) figuren.
We ervaren de individuele mens, in zijn onmogelijkheid om de werkelijkheid te vatten, het angstaanjagende van deze ongrijpbaarheid. Met Levinas kunnen we zeggen dat we de mens zien als ’verrast’ door het ‘il y a’ van de werkelijkheid. Als hij zegt dat in de kunst de werkelijkheid verschijnt als iets waaraan we niet onmiddellijk betekenis kunnen geven, als een vreemde aanwezigheid, dan vinden wij dit terug in Hervé zijn werk.
We zien in de werken van Hervé Martijn geen poging om de zin van de mens te begrijpen en te onthullen maar juist een wijze van ‘niet-begrijpen’. Dit ‘niet-begrijpen’ heeft een weerloos karakter, het keert zich weg van de macht van de objectiviteit.
We gewagen van een ‘epifanie’ van de mens. Meer nog dan het archetype van de mens, meer dan een fenomenologie van de mens zien we hier het ‘in verschijning treden’ van de mens. De kijker kan binnen treden in deze verschijning, zonder dat dit van een dwingende aard is, het is geen openbaring.
Deze epifanie van de mens is ‘buiten-gewoon’, tijdloos, contextloos, het laat ons toe te transcenderen boven de meer ‘evidente’ ervaringen van fragiliteit, dualiteit, archetype, ontmoeting.
Hervé Martijn beschikt over een intuïtief inzicht waardoor hij de ‘in verschijning tredende’ mens op een intense manier zichtbaar kan laten worden.

Hervé ’s uitspraak: ‘schilderen is een manipulatie van “toevalligheden”, was een zin die mij trof en nieuwschierig maakte.
Het is heel interessant om onbewuste motieven die de kunstenaar beïnvloedden en in zijn werk sluipen,’ toevallig’, zonder directe bedoeling en zonder dat ze een specifieke betekenis lijken te hebben. Ze zijn dan ook moeilijk te verklaren, niet dat dit per sé hoeft maar ze kunnen mogelijks een blik werpen op de aantrekkingskracht van het werk.
Een element wat zeer veel terugkomt is het idee van ‘containment’, een cocon, kleine huisjes, zwarte balken,…ook de afgebeelde mens(en) zitten vaak gebukt, de armen rondom zichzelf, als om iets vast te houden. Gesloten, geslotenheid. Even viel spontaan het idee dat dit iets zou kunnen te maken hebben met moeite met loslaten. Ook de zwarte rand die vaak terugkomt, impliceert dat idee van vasthouden, afbakenen.
Misschien zit daar wel een soort onbewust motief in? Misschien vinden we hierin een verklaring waarom de kunstenaar al zo lang met dezelfde thematiek bezig is en dat niet kan of niet wil loslaten?
Maar echt belangrijk is dit laatste niet; We zoeken niet naar een hermeneutiek van de werken, noch naar psychologische achtergronden. Dit zou enkel en poging zijn om het creatief proces te vatten, vast te houden, en terug te brengen tot de objectiviteit.
Het was een voorrecht om deze werken te mogen bekijken, ook de nieuwste werken, anders dan de vorige maar toch de ‘in verschijning tredende’ mens.

www.hervemartijn.com

Zijn de kleine folkpodia overbodig? Open Brief in De Morgen 2012

Eind juni valt binnen de cultuursector het definitieve nieuws in de bus over al dan niet ontvangen van structurele subsidies. Wij zijn benieuwd of het beleid met zijn keuzes ruimte maakt voor kleinere podia buiten de grootsteden, cultuur die van onderuit opleeft, van tussen de mensen komt. Binnen de folk sector is de vrees groot dat een levendig muziekgenre onderuit wordt gehaald indien de pre-adviezen van de Beoordelingscommissie Muziek gevolgd worden.

Vandaag is de folkwereld in Vlaanderen meer en meer georganiseerd en geprofessionaliseerd. Dit is te danken aan een gestage opbouw van onderuit de voorbije 10 jaar.
Dit cultuursegment is niet van bovenaf georganiseerd in vaste, grote structuren waarbinnen muzikanten en publiek zich moeten inpassen. Neen, alle initiatieven zijn bottom-up gegroeid vanuit de muzikanten zelf en met steun van vele vrijwilligers.

Deze ‘kleinere’ folkpodia nemen binnen het landschap een dermate unieke positie in dat het verdwijnen of verminderen ervan een onvoorstelbaar hiaat zou creëren. Folkmuziek wordt onderwezen in steeds meer muziekacademies en steeds meer jongeren volgen deze richting. Deze muzikanten zullen hun weg zoeken in het cultuuraanbod en een deel van hen zal doorgroeien naar grote podia. Door het wegvallen van subsidies voor kleinere folkpodia wordt een essentiële tussenstap voor veel muzikanten weggesneden. Dit betekent het einde van nieuwe ontdekkingen en misschien het verdwijnen van sommige genres.

Diversiteit

De kleinere podia bieden niet alleen ruimte voor projecten die artistiek nog kunnen groeien maar ook een podium waar steeds meer (internationale) groepen zeer graag spelen omwille van de kleinschaligheid en direct contact met het publiek. Neem ze weg en je neemt de diversiteit en identiteit weg.

We durven zeggen dat de kleine clubs een rijker folklandschap in Vlaanderen creëerden.
Deze organisatoren zorgen juist door hun kleinschaligheid en eigenzinnigheid voor de culturele diversiteit waar we in Vlaanderen zo trots op mogen zijn en ze zijn ook van belang voor de artistieke continuïteit van het grotere circuit.
Deze podia geven aandacht aan de beginnende en individuele kunstenaars, hebben een sterke sociale component, bevorderen de participatie door hun laagdrempeligheid en bieden kwaliteit, getuige de vele reacties van publiek en muzikanten. Zijn dit geen ankerpunten binnen het cultuurbeleid van onze huidige minister?

Zullen de cultuurbeleidsverantwoordelijken inzien dat de trend naar grotere (lees grootstedelijke) gehelen, de nadruk op hedendaagsheid, het belang van steeds meer publieksbereik, meer informatie en ja, voor een deel ook de veelbesproken ‘schottenloosheid’ het gevaar inhouden van een uniform cultuurconsumentisme? Muziek en cultuur als eenheidsworst.

Willen we dan ‘versnippering’ in het muzieklandschap? Zeker niet. We pleiten voor culturele diversiteit. Er is nood aan een gezonde mix van grote en kleinere structuren. In het folklandschap is er geen versnippering. Er is een grote samenwerking binnen de sector, maar we vinden niet dat zich dat moet vertalen in grotere gehelen, integendeel, dat men kiest voor de mogelijkheid tot groei en verdere ontplooiing van deze initiatieven.

De paradox van de vernieuwing.

Wanneer het cultuurbeleid de nadruk gaat leggen op het subsidiëren van actuele, hedendaagse of avant garde kunstvormen verhoogt de kans dat de kloof tussen cultuurparticipanten en diegenen die (nog) niet participeren steeds groter wordt. Muziek en cultuur in het algemeen is niet het prerogatief van ‘kenners’ of ervaren cultuurparticipanten, het is het recht van iedereen.
De podia waarover we spreken en we spreken namens een hele sector, zijn katalysatoren van cultuur. Zij zorgen mee voor de toeleiding van het publiek naar de ‘grote’ cultuurhuizen, zorgen voor niet-intentionele cultuureducatie en dragen bij tot meer culturele competentie.

Moet men binnen de folk dan niet vernieuwen? Natuurlijk wel. Vernieuwing kan enkel ontstaan uit kritiek op een traditie. Een traditie kan niet onbeperkt blijven bestaan als ze ongewijzigd blijft. Voorwaarde voor kritiek en vernieuwing is wel dat men de traditie kent.
Kom kijken en luisteren hoe jonge muzikanten op een nieuwe manier traditionele muziek spelen, niet reproduceren maar het repertoire hertalen. Hier is allesbehalve sprake van oubolligheid of populisme!
Wie twijfelt aan de noodzaak van folk als genre nodigen we uit op onze concerten, festivals, wedstrijden, vrije podia, jamsessies… Kijk en ervaar hoe het publiek, de artiesten, de organisatoren en de vrijwilligers het doen en maak dan een artistieke beoordeling.

We reageren vandaag niet als individuele organisaties maar voor de gehele folkwereld. We roepen dan ook iedereen op om te reageren op www.folkpodia.be.

Filip Verneert
Directeur Muziekmozaïek Folk & Jazz
Dirk Van der Speeten
Coördinator Muziekclub ‘t Ey
Melanie Scheys
Artistiek leider Muziekcentrum Dranouter
Reinout Keymolen
Coördinator Klein Muziekcentrum ‘t Smiske